top of page

Zwart klavertje



Zeven uur ’s morgens. We zitten gezellig weggezakt in de bank, Tommy, mijn kleinzoon van vier, en ik. Hij knus en slaapwarm tegen mij aan. Ik heb een arm om hem heen. Het kleurige boek van Boer Boris is klaar, dichtgeklapt. “Wat een lange trein was dat, hè Tom?!”zeg ik. “Ja, oma, en zoveel taarten!” Hij draait zich naar mij toe en strijkt met twee kleine vingertjes over mijn arm. Het kriebelt, ik lach naar hem. “Hé, wat doe je, kereltje?” “Jij bent zo zacht, Oma, hoe kan dat? Veel zachter dan Papa en Mama!”

“Ik ben ook ouder, hè, je wordt dan steeds een beetje zachter.”


Dat zeg ik nou wel, maar eigenlijk wist ik niet eens dat ik zo zacht was. Het is soms een verrassing, een overval wat er allemaal slijt en verandert als je ouder wordt. Nou ja, zacht zijn lijkt me wel een positieve eigenschap voor een grootmoeder.

Ik rek me uit. Ga nog even liggen. Tommy is van de bank gegleden en rijdt met een auto met zwaailicht over het vloerkleed. Slingert tussen de poten van een bijzettafeltje door. “Ta-tuu, ta-tuu!” Een beetje dromerig kijk ik ernaar en dan glijdt mijn blik weer naar mijn arm.

De nietige tatoeage die normaal verborgen zit onder mijn horloge is nu goed zichtbaar, ik raak het aan.. Tommy merkt het op. “Wat is dat Oma? Een bloemetje?”“Een klavertje, lieverd. Ik dacht dat het me geluk zou brengen, geloof ik.”Het is gezet toen ik een jaar of zeventien was. Waarom heb ik dat laten doen vraag ik me vaak af. Omdat ik ergens bij wilde horen, denk ik.

Het was rond 1970. De huid op mijn armen voelde toen nog stevig en ik zat vol energie. Ik ging de duistere hal van jeugdsoos ‘Sesjun’ binnen, zonder schroom. Er klonk muziek van Pink Floyd, en de geur die er hing was zoet en zwaar. Ik wist dat er soms bands optraden, en dat er echte hippies kwamen, dat voelde onbekend en spannend. Het lokte en zoog me naar binnen.


Op de bovenverdieping trof ik wat mensen aan op banken en kussens, veel fluweel en kaarsen. Een meisje danste in haar eentje op de muziek. Zwierde met gebogen draaiende armen door de lucht als een Indiase danseres. In een hoek bij het raam zat een man met een donker baardje bij een meisje dat ik vaag kende van school, Conny. Zij heeft me verleid om het te doen.

Om me te laten tatoeëren door  baardmans. “Hier heeft iedereen zo’n tattoo” sprak ze stoer. Dan ik ook, besloot ik.En met een naald en Oost-Indisch inkt prikte hij ter plekke een klavertje op mijn pols.

 

Terwijl ik mijn tattoo bekijk, komt Tommy dichtbij.

“Dat had ik toen niet moeten doen!” zeg ik hem zachtjes “Ik heb spijt!”

“Ja, hij is wel klein, Oma! De voetballers hebben veel grotere. Weet jij wel wat een sleeve is? ”

Ik schud mijn hoofd. “Je hele arm versierd met tattoos, met allemaal plaatjes. Dat hebben veel voetballers en buurman Rob heeft het ook.”

“Wil jij dat later ook, Tommy? Vind je dat mooi?“

“Dat weet ik nog niet, Oma. Het kan er niet meer af. Misschien krijg ik dan ook spijt.

Plotseling rent hij naar de hoge kast en pakt een schetsboek en kleurpotloden. Ik hoor hem zuchten.“Oma, kan jij een vis tekenen? Ik vind het moeilijk.”

“Dat denk ik wel, schat.”

“Op zwemles noemen ze mij Super Vis.” Hij lacht met zijn mond wijd open.

Terwijl ik een viltstift pak, steekt hij zijn linker arm stevig naar me uit.Het wordt een glanzende goudvis met een grote glimlach, blauwe ogen en gekrulde wimpers. “Goed zo?” Tommy kijkt nog even kritisch naar z’n pols, glimlacht dan innemend. “Ja! Ik heb écht geen spijt!”


Jean Wartena, 26 feb. 2024 (Schrijfgroep, opdracht ‘lichaamsdeel’)                                                            

Reacties kunt u sturen naar jeanschrijft@gmail.co

29 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page