Rainer Maria Rilke (1875-1926) deel 2

In deze tweede ronde gaan we nog wat verder in op de eerste levenshelft van Rilke, die een belangrijke achtergrond vormt voor zijn latere werk.
Op 12 Mei 1897 vond de ontmoeting plaats met Lou Andreas Salome (1861 1937). Eerst tijdens het verblijf in München en later in Berlijn.
Zij groeide op in St. Petersburg en studeerde vanaf 1880 in Zürich.
Lou publiceerde vanaf die periode uiteenlopende boeken, had langere tijd contact met Nietzsche en huwde 1887 de orientalist Friedrich Carl Andreas.
Rilke was toen 21 jaar, Lou 36. Zij was het ook die in 1897 zijn naam, sinds de geboorte René, veranderde in Rainer, waarmee we sinds die tijd Rilke kennen.
Vanaf die tijd reist het drietal twee keer voor een aantal maanden door Rusland. In 1901 verbreekt Lou met haar “Letzter Zuruf “ het contact alhoewel het wel nog tot briefcontact en incidentele ontmoetingen kwam.
De laatste ontmoeting vond plaats in 1919. Twee jaar na Rilke’s overlijden verscheen haar boek Rainer Maria Rilke (Leipzig 1928) een van de vroegste studies over Rilke.
In mijn visie is hier bijna sprake van een soort van moeder-kind relatie, van de verloren zoon en de beschermster. Lou was een levenslange vertrouweling, met wie hij zich verbonden voelde . Door haar kwam Rilke als het ware tot zichzelf.
In 1898 bezocht Rilke voor het eerst het bekende Noordduitse kunstenaarsdorp Worpswede en na de 2de Ruslandreis ging hij daar meteen weer naar toe. Hier leerde hij Paula Becker en de beeldhouwer Clara Westhoff (1878-1954) kennen met wie hij in april 1901 in het huwelijk trad. In december werd hun dochter Ruth geboren, wellicht nog een verwijzing naar de roman van Lou: Ruth uit 1895 over haar eigen meisjesjaren.
Het huwelijk met Clara was een huwelijk op afstand. Op papier en in briefvorm. Rilke beschouwde zichzelf als’Fahrende, Reisende’’. Niet zo geschikt voor een “echte “relatie, alhoewel hij zich wel altijd bekommerde om Clara en Ruth.
Incidenteel brachten ze met z’n drieën een vakantie door, zoals 1906 aan de Vlaamse kust. Clara was voor hem zeker een steunpilaar en hij hielp haar altijd financieel. In 1910 zijn ze gescheiden maar bleven met elkaar in contact in de vorm van twee onafhankelijke levens. Clara maakte o.a. in 1901 en 1936 een buste van haar echtgenoot, twee versies van Rilke. Rilke publiceerde in1903 een van de vroegste studies over Worpswede (235 pag.).
Paula Modersohn- Becker en Clara waren voor Rilke al meerdere keren naar Parijs geweest voor hun werk. Paula maakte in 1906 het bekende portret van Rilke. In november 1907 Kreeg Paula na een zware bevalling een dochter, waarna zij vrij snel daarna in het kraambed overleed. In 1908 schreef Rilke na haar door dood :”Requiem für eine Freundin “.
Een derde cruciale fase voor Rilke vond plaats in Parijs sinds zijn ontmoeting met Rodin
(1840-1917) in augustus 1902.
De samenwerking vond plaats in zijn atelier of in zijn woonhuis in Meudon. In de periode van september 1905 tot mei 1906 was Rilke de secretaris van Rodin. Ondanks het grote leeftijdsverschil : Rodin 61, hijzelf 26, werd hij Rodin’s discipel, leerde hij zijn werk kennen zoals de Denker, de Kus, de Burgers van Calais en de Handen.
Rodin had grote invloed op het werk van Rilke , wat duidelijk wordt in gedichtenbundels als Stundenbuch, Neue Gedichte en de roman over Malte.
In 1917 overleed Rodin en in juni 1925 was Rilke voor het laatst in Parijs. In de lijn van Rodin wordt duidelijk dat je geen ander leven nodig hebt buiten het werk, de kunst. Het ging om ‘toujours travailler’. Van hem leerde hij zien, kijken, observeren en de zoektocht naar de kern, het wezenlijke.
Naast deze drie belangrijke figuren in Rilke’s leven en werk was de Eerste Wereldoorlog een onderbreking. In 1915 moest hij in militaire dienst maar de meeste tijd bracht hij door in het oorlogsarchief in Wenen. Na de oorlog vertrok hij vanuit München naar Zwitserland.
Alles bij elkaar werd zijn leven bepaald door een grote rusteloosheid, voortdurend op reis langs talloze locaties, een eindeloze serie contacten en relaties. een levenslange zoektocht naar zelfontplooiing. Maar hij hoopt ook het ondraaglijke te dragen via zijn weg naar openheid, naar het realiseren van de eigen mogelijkheden. Vanaf de vroege levensfase is er sprake van bipolaire neigingen, van gedrag tussen exaltatie en gedeprimeerdheid.
Ondanks alle onzekerheid trad hij regelmatig op als raadgever aan anderen, denk bijvoorbeeld aan de “Briefe an einen jungen Dichter “.
Een jonge officier, Franz Xaver Kappus , vroeg Rilke om raad en ontving 10 brieven. In het beroemde sonnet “Archaischer Torso “, waarmee hij de bundel: Neue Gedichte in 1908 opende, en die hij opdroeg aan “Mon grand ami Rodin “ staan de volgende regels: “Je moet je leven veranderen, leef je leven anders, zo doorgaan kun je niet” Ze behoren tot een van de cruciale uitspraken van Rilke. Een tekst die vaak door andere filosofen is gebruikt en geciteerd.
De toeschouwer bekruipt een zekere angst bij het zien van de torso, dat merkwaardige lijf .
Maar tegelijk roep de tekst op je positie te bepalen ten opzichte van het gruwelijke ‘verstümmelte’ torso lijf zonder hoofd. Het is een veelzeggend beeld over de intensiteit van het kijken, over de rol van de kijker /lezer.
Over twee proza teksten van Rilke slechts heel kort het volgende. In 1899 verscheen Die Weise von Liebe und Tod des Cornetts Christoph Rilke. Deze compacte tekst verscheen eerst in een tijdschrift en werd later Deel 1 van de bekende Duitse Insel -Bücherei , een Kultboek met zeer grote oplagen. De roman : Malte Laurits Brigge is door de hoofdfiguur, de 28 jarige Deen, geplaatst in Scandinavië en deels in Parijs. De roman gaat van start in de Rue Toulier op 11 september. Het zijn herinneringen aan de kinderjaren en jeugd, aan de oude geslachten Brigge en Brahe. Verder is het de neerslag van Parijs, waar Rilke verbleef in 1902/ 03 en in 1908/10.
De wereld van chaos en vertwijfeling, van isolement, van overspoeld worden door de stad met zijn drukte, lawaai , massaliteit en stank, hetgeen slechts angst en vervreemding oproept.
Rilke probeerde altijd weer de negatieve elementen te overstijgen, zocht naar inzicht in de fundamentele samenhang. In de lijn van de dichter Hölderlin in zijn elegie “So komm, dass wir das Offene schauen “ was ook Rilke op zoek naar het fenomeen van de openheid. Feit en fictie, autobiografie en autofictionele aspecten lopen door elkaar. Rilke wilde in de vele rollen, die hij speelde, in de openheid en mogelijkheid van verandering, zijn diepste kern vinden.
In de sfeer van Andreas Salome en Rodin ging het om de vraag: hoe moet je leven en op 17.2.1903 in de brief aan de jonge dichter Kappus was Rilke’s raad : Het gaat er om alles te leven, leef nu uw vragen. Koester het innerlijke, het diepste zelf en de eigen binnenwereld.
In 1925 maakte Rilke in Parijs zijn testament op. Hij overleed op 29 december 1926 en werd
2 januari begraven in Raron, in de buurt van Zermatt. Op16 januari 1927 vond in Berlijn een herdenking plats met een rede door Robert Musil.
K.J. Hupperetz







Opmerkingen