top of page

Noordelijke figuratieven – Henk Helmantel



Het was mijn bedoeling te schrijven over de Noordelijke realisten, zoals Matthijs Röling, Olga Wiese, Wout Muller en Henk Helmantel, allemaal geboren in het begin van de jaren 40 van de vorige eeuw.

Maar al snel ontdekte ik dat Helmantel nogal afwijkt van de drie anderen waardoor ik besloot om een kort portret van hem te schrijven.


Tot tweemaal toe in de negentiende eeuw vond er een breuk plaats tussen figuratie en realisme.

De avant-garde maakte zich los van het realisme ten gunste van experiment, abstractie en een spel van kleur en compositie. Hetzelfde patroon trad op na de Tweede Wereldoorlog, toen men zich losmaakte van het socialistisch realisme in Rusland en de door het Duitse fascisme geïnspireerde kunst.  Het leek er dus op dat de figuratieve kunst op zijn retour was, tot merkwaardig genoeg in onze provincie een groep bevriende kunstenaars weer op de figuratieve toer ging. In beide genoemde periodes waren kunstenaars actief, die zich vasthielden aan het realisme en figuratie, zoals schilders als Carel Willink (1900-1983) en Jopie Huisman (1922-2000).


Henk Helmantel is een verhaal op zich. Helmantel, die weliswaar meestal geschaard wordt onder de Realisten, wat hij ook zeker is, werkt vanuit een heel andere inspiratie en achtergrond.

Ik zou hem eerder een fijnschilder/meesterschilder willen noemen.


Helmantel werd geboren in februari 1945 en groeide op in de kwekerij van zijn ouders, een gezin met vijf kinderen. Tussen 1961 en 1965 bezocht hij de Academie Minerva. Tegen de daar geldende trend in koos hij voor realisme, voor de lijn vanaf Rembrandt en Saenredam.

Hij begon al heel vroeg met tekenen. Vanaf het Rembrandtjaar 1956 was Helmantel sterk onder de indruk en invloed van de tekeningen van Rembrandt. Die lijn bleef zijn leven lang bewaard.

Zo zocht hij contact met Rembrandtspecialist Ernst van de Wetering en was hij verguld dat hij een tijdje in het Rembrandthuis mocht werken. Bovendien was Helmantel trots op het bezit van een aantal etsen van de meester.


In 1967 verhuisde Helmantel naar zijn bekende plek Westeremden. De oude pastorie werd afgebroken om plaats te maken voor een grote verbouwing, waaraan hij een paar decennia werkte tot aan de voltooiing in 2004, naast de oude Andreaskerk aan het Abt Emopad 2.

Daar heeft hij nu zijn atelier en eigen museum. Op die oude wierde was hij overigens ook begrafenisondernemer, uitvaartverzorger en hulpkoster. Met zijn echtgenote Barbera/Babs werd die plek voor velen een heel mooie ontdekking van zijn werk, naast de vele tentoonstellingen in binnen- en buitenland. Hier ontstonden de talloze stillevens en prachtige schilderijen van het interieur van kerken en kloosters van onze provincie, zoals in Appingedam, Loppersum, Marsum en Fransum, maar ook uit het buitenland als Le Thoronet en Buttforde.


Het gaat mijns inziens Helmantel niet om symbolische verwijzingen, maar om de objecten zelf: het vele oude, archeologische materiaal uit zijn eigen collectie, het fruit uit de directe omgeving bijvoorbeeld. In de stilte en eenvoud van de plek, in een vorm van een geordend bestaan en eenvoud zingt Helmantel op die manier zijn loflied op de schepping. De rol van het geloof, zijn bijbellezing, het luisteren naar klassieke muziek van Bach tot Monteverdi leveren hem dat respect op voor het werk waarmee hij bezig is, een vorm van geloofsbelijdenis, contemplatie en een bijna mysterieus geloof in het bovenaardse.


Zo begrijp ik ook dat hij vanuit de oude traditie vasthoudt aan de zondagsrust en op die dag niet in zijn atelier aan het werk gaat. Mijn inschatting is dan ook, dat hij naast het onmiskenbare realisme zoekt naar een bepaalde sfeer, naar een spel met vormen, naar een specifiek kleurgebruik en compositie, de verdeling van het licht zoals bij de oude meesters. Zelf verwees hij ooit  naar Mondriaan als zijn voorbeeld voor abstractie en precisie.


In een tentoonstelling in Gorssel in 2018 werd zijn werk getoond samen met voorlopers en geestverwanten als Floris Verster (1861-1927), Jan Mankes (1889-1920) en Dick Ket (1902-1940). Musea beschouwden lange tijd zijn werk als te regionaal, niet vernieuwend, als een voorbeeld van Retro-Realisme, wat uit de gratie was.

Het Groninger Museum was van Frans Haks tot Kees van Twist vond dat de gangbare positie en pas bij Andreas Blühm trad de verandering op. Veel andere musea of galerijen als Grietinus Harms waren al geruime tijd overtuigd van het belang van zijn werk. Dat gold ook voor de dieven die in februari 2000 zo’n 37 doeken uit zijn museum ontvreemdden en tot een miljoenenbedrag aan afpersing overgingen. Gelukkig werd die kunstroof opgelost en was er slechts sprake van kleine beschadigingen. Met het grote oeuvre van Helmantel is het duidelijk, dat hij er zeer goed van kan leven.


Ik bewonder nog steeds vooral zijn kerkinterieurs in de lijn van Pieter Saenredam (1597-1665). Vanuit die inspiratie maakt Helmantel zijn architectonische werktekeningen en schetsen, de notities over kleur en licht, die dan later in het atelier tot zijn meesterwerken worden gerealiseerd. Daarmee kan zijn werk zonder meer wedijveren met geschilderde voorlopers van bijvoorbeeld de Pieterkerk in Utrecht en andere voorbeelden van kerkelijke architectuur, waarbij Helmantel boven de realiteit lijkt uit te stijgen. In het ritme van die werken komen figuratie en abstractie bij elkaar, een eenheid van strakke ordening en stille concentratie in een spel van kleur en licht. De bijdragen van het werk van Helmantel met zijn contemplatieve thema’s lijken een antwoord te laten zien in de verwarrende tijden, waarin we ons bevinden. Hij is in die zin een onafhankelijke realist en fijnschilder.

 

K. Hupperetz

46 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page