Plog 6 - Van de Boer tot de Vos

Bijgewerkt op: mei 6


Parkfontein

Nader je de vijver

dan vangt het ruisen aan

van wuivend stuiven

schitterende tranen

verwaaien in het licht

een regenboog

een onuitwisbaar gezicht

In deze aflevering:

- Dichters uit Haren (3)

- Stijlfiguren: Ironie etc. (theorie 2)

- Marjoleine de Vos


1. Dichters uit Haren (3).

In deze derde aflevering van de serie met werk van ‘onze eigen’ dichters aandacht voor Saskia de Boer. We kennen haar o.a. als schrijver van haiku’s. Elders op de site van Geboekt in Haren kunt u haar in die rol bewonderen. Naast dichter is Saskia ook fotograaf en haar beeldtaal zou je poëtisch kunnen noemen.


In 2016 won zij de schrijfwedstrijd ‘Haren Verbeeld’ met ‘Parkfontein’, een sfeervol gedicht over het Boeremapark. En op een steen aan de zuidingang van het park kunt u een ander gedicht van haar vinden.


Hieronder kiest Saskia voor het gedicht ‘Parelboom’; zij licht de keuze zelf toe.


Parelboom

Elke golf van

onder water adem

vangt het suizen

van de wind

een kern van oneffenheid

dwingt oesters

hun schulp te sluiten

voor lang geleden pijn

scherven van licht

breken de zeespiegel

in doorzichtige lagen

bloeien naakte parels

als manen in de nacht


Het gedicht Parelboom staat in de bundel Water en Vuur VII, gedichten bij beelden. Deze bloemlezing bevat nieuwe gedichten bij beelden in de openbare ruimte in Apeldoorn. De delen Water en Vuur verschenen ter gelegenheid van de landelijke oeuvreprijs voor beeldhouwers, De Wilhelmina-ring. De vormgeving van deze serie is uniek, met het handschrift van de dichter dat op transparant papier over de foto van het beeld valt. De Parelboom is een bronzen beeld van Louise Schouwenberg. Het staat bij de Parelvisserstraat aan de rand van de operawijk waar ik woonde toen ik school ging. De parels zijn van glas en lichten op als het donker wordt. Ze staan volgens de beeldhouwster symbool voor de multiculturele achtergrond van bewoners. In de jaren zestig kwamen er Turkse gastarbeiders in vier hoge flats wonen. Op de lagere school werden de Turkse kinderen af en toe uit de klas gehaald om Turks te leren voor als ze weer terug zouden gaan naar Turkije. Inmiddels zijn de flats op één na afgebroken.


Saskia




2. Stijlfiguren: Ironie, sarcasme, cynisme: op verzoek en uitsluitend voor die plog-lezers, die met een stukje literaire theorie hun (middelbareschool)kennis weer willen ophalen.

Ironie is een prachtig stijlmiddel (en niet alleen binnen de literatuur) om een mening of opvatting indirect te ventileren. In de meest zuivere vorm wordt het tegenovergestelde gezegd/geschreven van wat men eigenlijk bedoelt. De manier waarop dit gebeurt en de context moeten ervoor zorgen dat de boodschap overkomt. Een paar voorbeelden:

‘Gefeliciteerd, jongens, met het vernielen van jullie eigen stad’ . Dat zei burgemeester Aboutaleb n.a.v. vernielingen en plunderingen tijdens de avondklokrellen.

(We zullen maar aannemen, dat zelfs de grootste vandaal dit niet heeft opgevat als een aansporing om door te gaan)

En u kent vast wel de slogan van Herman Finkers: ’Eén stoplicht springt op rood, een ander weer op groen. In Almelo is altijd wat te doen",

Wat breder gedefinieerd kan ironie gezien worden als een milde vorm van spot, een lichte verpakking met een serieuze inhoud. Een situatie of een opvatting wordt a.h.w. geïroniseerd. Ironie roept een (glim)lach op, kwetst niet. Sarcasme is scherper, bitterder en cynisme is een vorm van spot vanuit een kritische, wantrouwende grondhouding.

Aan Rika Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart Gezeten in een sneltrein, die den trein Waar ik mee reed passeerde in volle vaart. De kennismaking kon niet korter zijn. En toch, zij duurde lang genoeg om mij Het eindloos levenspad met fletsen lach Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag. Waarom ook hebt gij van dat blonde haar, Daar de engelen aan te kennen zijn? En dan, Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar? Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan! En waarom mij dan zoo voorbijgesneld, En niet, als ‘t weerlicht, ‘t rijtuig opgerukt, En om mijn hals uw armen vastgekneld, En op mijn mond uw lippen vastgedrukt? Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp? Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn, Dan, onder helsch geratel en gestamp, Met u verplet te worden door één trein?

Piet Paaltjens (1835-1894)