Plog 4. Januari 2021: De start van een nieuw poëzie-jaar

Bijgewerkt: feb 5


In deze aflevering: - Dichters uit Haren (1) - De P.C. Hooftprijs voor poëzie - Metafoor (theorie 2) - Menno Wigman 1. Dichters uit Haren (1). Aan het begin van deze en de komende afleveringen vraag ik aandacht voor het werk van ‘onze eigen’ dichters door hen te vragen een gedicht naar eigen keuze te publiceren en kort toe te lichten. De nestor van de Harener dichterskring, Cees Bolle, verzorgt de aftrap. “Heel soms zocht ik naar portretten van dichters. Die zijn er natuurlijk in allerlei maten en soorten. Het opmerkelijkste exemplaar dat ik vond was zelfs nog een zelfportret, wat waarschijnlijk wel bijzonder genoemd mag worden. Het is het zelfportret van Leo Vroman in zijn bundel Manke vliegen uit 1963. Zoveel verbazing én begrip met tegelijkertijd daarachter de angst voor die zo heel witte bladzijde: het beginmoment van zo veel prachtige, vaak heel speelse gedichten van hem. Nadien heb ik er wel eens op gelet hoe ik zelf voor zo’n helder wit vel zit wanneer er in mijn hoofd teksten rondcirkelden. Vaak met de kin op mijn linkerduim en de linkerwijsvinger tegen de punt van mijn neus, heb ik ontdekt. Zo zit ik er nu dus ook bij: uitkijkend naar kale bomen, nat glimmende takken, een volmaakt grijze lucht en soms wat miezerige regen in afwachting van de jaarwisseling naar 2021, een beetje besloten in mijn kleine bubbel.”

Verschiet hoog aan de lucht een golvende pijlpunt van trekkende ganzen gakkend op weg naar elders

in kaal getakte bomen een paar verlaten krijsende kraaien in vaal zwarte tooi verdoolde mede achterblijvers in beknot gebied.

Cees Bolle

Een recent en actueel vers dat met ‘beknot gebied’ ons letterlijk op onze plaats zet, maar … er is ‘verschiet’ en die ‘pijlpunt’ lijkt toch ook een metafoor van de injectienaald die ons via het vaccin weer de ruimte naar ‘elders’ geeft. Het dichtwerk van Cees Bolle is niet van vandaag of gisteren. Hij heeft inmiddels vier bundels op zijn naam staan. Bekend is de bundel ‘Het vermoeden van een glimlach’, waarin hij zijn gevoelens en ervaringen verwoordt rond het lijden van zijn vrouw aan de ziekte van Alzheimer. Heel recent is zijn laatste bundel uitgegeven bij uitgeverij Kleine Uil: ‘De reikwijdte neemt toe’. FB. 2. De P.C. Hooftprijs voor poëzie.

Nog even terug naar 2020: De belangrijkste Nederlandse literatuurprijs (overigens niet de meest lonende) ging naar Alfred Schaffer. Ik beken: nog nooit een gedicht van hem gelezen! Uit allerlei hoeken verbaasde reacties. Zelf had Schaffer het ook absoluut niet zien aankomen: ’Het is de schok van mijn leven’ De jury oordeelde: ‘Een dichter die zonder met modes mee te waaien midden in deze tijd staat. Zijn poëzie omvat zeer precies gekozen momentopnames, met zinnen die ogen alsof er een scalpel aan te pas is gekomen.’

Schaffer (zoon van Arubaanse moeder en Nederlandse vader) woont afwisselend in Zuid-Afrika en Nederland, vertaalt Zuid-Afrikaanse poëzie in het Nederlands, schrijft zelf zowel in het Engels als in het Nederlands, geeft colleges en workshops, publiceert essays over hedendaagse poëzie etc. Zijn werk vind ik niet gemakkelijk te plaatsen. Vaak zijn het brede, proza-achtige verzen met associaties, verwijzingen naar actualiteit, geweld en naar eigen zeggen steeds met steeds meer oog voor medemenselijkheid. Poëzie is volgens Schaffer zeker niet waardenvrij, kan een vorm van engagement zijn. “Poëzie lost de armoede en het klimaatprobleem niet op, maar het kan wel je denken aanscherpen, je bewust maken, ook van taal.” Ik lees nu zijn bundel ‘Mens, dier, ding’; rode draad is de mythe van Sjaka Zoeloe, de beroemde stichter van een machtig Zoeloe-rijk. Allerlei vormen worden toegepast en ineens kom je flarden tegen van een reportage uit Nederland in onze tijd. Een talig avontuur voor wie daar kennis van wil nemen. Ik eer hem in deze context met een toegankelijker gedicht uit zijn eerste bundel ‘Zijn opkomst in de voorstad’ (2000)

En dan stopt het De afgelopen dagen denk ik meer en meer aan het eiland van mijn moeder en het huis van haar vader, het had blauwe buitenmuren en geen deuren, zoals de meeste huizen aan de baai. De zee, het blauwe huis op het strand, de boom in de keuken die men uit bijgeloof niet had willen omkappen, er was zelfs een gat gemaakt in het dak - alles komt steeds meer op hetzelfde neer: daar staat mijn vader, maar nu zonder zijn vrouw of zijn schoonvader, de enige blanke man in zee en hij kan niet zwemmen. Voetje voor voetje stapt hij, zonnebril op, met een brede grijns door het ondiepe water. Deze domme dagen zoek of bedenk ik maar wat bij elkaar, met stomheid geslagen. Zo voorbeeldig, en dan stopt het.

Alfred Schaffer 3. Metafoor (theorie 2): op verzoek en uitsluitend voor die plog-lezers, die met een stukje literaire theorie hun (middelbareschool)kennis weer willen ophalen. Schrijvers – niet alleen dichters – kunnen gebruikmaken van allerlei stijlmiddelen om hun tekst te verduidelijken of te verfraaien. Het gebruik van metaforen is er één van. Ze komen overvloedig voor in ons dagelijkse spraakgebruik. Uitgangspunt is een vergelijking: je weet dat een beer groot en sterk is, je komt een forse kerel tegen met biceps om voor weg te lopen, je maakt de vergelijking “die kerel is/lijkt zo sterk als een beer” en je zegt tegen je partner: “Moet je die beer eens zien!”. Welnu, in de laatste zin is ‘beer’ een metafoor. Het woord is een beeld, dat verwijst naar een verzwegen object. (Even terzijde: wel interessant om na te gaan, wat zo’n zinnetje oproept bij een kind van bijv. 4 jaar. Verwacht het dan een echte beer te zien of is het op die leeftijd al beeldspraakgevoelig?). Nu zal die beer als metafoor voor sterke kerel niet snel opduiken in poëzie, daarvoor is het te zeer een cliché geworden. Maar dichters kunnen proberen met gebruik van originele beelden/metaforen het ‘onzegbare’ te verwoorden. Voor de lezer kan het wel eens lastig zijn het beeld te ‘begrijpen’. De poëzie van de Vijftigers (Lucebert, Kouwenaar etc.) is wat dit betreft een uitdaging. Een paar literaire voorbeelden tot slot: Vasalis: Er is een boom geveld met zachte groene lokken (Aan een boom in het Vondelpark) Lucebert:een broodkruimel te zijn op de rok van het universum (Ik tracht op poëtische wijze). Zo’n sterk beeld dat de dichter Tonnus Oosterhoff een bundel zo noemde. Rodenko: (de populieren werpen) elkaar een bal vol vogelstemmen toe en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig helblauwe bloemen op helblauwe zijde (Februarizon) 4. Menno Wigman (en een beetje Marnix Gijsen)

Ook de vorig jaar overleden Menno Wigman zou een goede kandidaat geweest zijn voor de P.C. Hooftprijs. Wigman werd en wordt veel gelezen. Hij neemt een heel eigen plaats in in het huidige poëziewereldje. Zijn gedichten zijn wat vorm en taalgebruik klassiek te noemen. Vaste thema’s zijn de onbeantwoorde of teleurstellende liefde, de dood, het verderf, de verloedering van de stad. De recensent Rob Schouten noemt hem een ‘zwarte romanticus’. Het is ook Wigman die vaak binnen het project ‘Eenzame uitvaart’ een vers voorlas bij het graf van een eenzame dode.

Oudste zoon De diepe zomer stelde niet gerust. er hing een afscheid in de lucht toen wij daar stonden in die kluis, koel en donker, zonder woorden voor de waarde van legaten en het polshorloge dat ik later… Mijn vader leek goed voorbereid “Als ik er niet meer ben”, klonk het monter, “komt dit vast van pas.” En onbeholpen als altijd mat ik mezelf een scheefgebogen glimlach aan, betuigde hem alvast mijn dank en zag mezelf toen in een stijve aula staan, wit van verwijt, dat ik nooit eerder, nooit genoeg… Zeg het, zeg het hem nu. Bedreven keek hij door mijn zorgen heen. Zijn stoere woorden stelden niet gerust. Er hing een afscheid in de lucht. Menno Wigman Mooi vind ik de zijdelingse manier van benaderen van de relatie tussen vader en zoon (niet zo maar een zoon, de oudste zoon, de opvolger, de voortzetting van de dynastie). Die zoon / de ik-figuur voelt het onheil naderen (zie je hoe dat afscheid in de lucht begin en eind van de scene vormt). Er is het contrast tussen de zomer buiten en de donkere kluis alsof het al een graftombe is. De overdracht van de erfenis en met het polshorloge het afstand doen van tijd: vaders tijd zit erop, het wordt de tijd van de zoon, maar daar wil de laatste niet aan denken, het wordt hem te veel. Zoals de hele situatie hem te machtig wordt en hij geen raad weet met zijn houding. Een tweede onafgemaakte, maar door de lezer heel goed in te vullen passage is de kern van de laatste strofe: waarom nooit vaker gezegd ’Pa, ik houd van je’. En de vader neutraliseert de emotie van het moment, maar… er hing een afscheid in de lucht! De situatie is van alle tijden en een generatie eerder heeft Marnix Gijsen eigenlijk hetzelfde gedicht geschreven, maar toch heel anders want binnen de (geloofs)traditie van die tijd. Mooi om beide verzen met elkaar te vergelijken. Succes.


Geschenk van mijn vader Wij zaten samen, zwijgend, bij het vuur; Mijn lieve vader en ik. Bij elk klokgetik Kwam zijn stervensuur Nader en nader. Hij was rustig en goed Lijk de moeder Die haar kindje heeft gedekt tot de kin. En die heengaat op lichten voet, Stil en verblijd. Zo wist hij zijn denken en daden bedolven Onder Gods warme barmhartigheid. Hij stond langzaam uit zijn zetel op. Recht en sterk lijk hij had geleefd. Zijn fijne hand Heeft gebeefd Op mijn hand Een nevel over ontwakend land. Toen heeft hij zijn laatste daad gedaan Hij gaf me zijn uurwerk, Eenvoudig, zonder één woord, En monklend is hij te rust gegaan. Maar, toen ik hem zacht naar het bed geleidde, Wist ik Hoe een Engel, zingend, aanschreed achter ons beide. Want moedig had mijn vader, In mijn handen Afstand van daad en tijd gedaan. Trots en wenend ben ik van hem heengegaan. M. Gijsen



136 keer bekeken1 reactie

Recente blogposts

Alles weergeven